Woordenlijst 3D-printen
Elk vakgebied heeft zijn eigen taal, en 3D-printen kan er wat van. Hier staan ruim tweehonderd termen uitgelegd zoals we ze zelf gebruiken, van de eerste laag tot de laatste nabewerking. Mis je er een, stuur een berichtje via de contactpagina.
termen
0 tot 9
- 1,75 mm
- De standaarddiameter van filament voor vrijwel alle desktopprinters. Alles in onze winkel is 1,75 mm.
- 2,85 mm
- De dikkere filamentmaat, vooral van oudere UltiMakers. Niet uitwisselbaar met 1,75 mm, controleer je printer voor je bestelt.
- 3MF
- Modern bestandsformaat voor printklare modellen. Bewaart naast de vorm ook kleuren, instellingen en de plaatsing op het bed, waar een STL alleen de vorm kent.
A
- ABL
- Auto bed leveling: de printer tast het bed op een aantal punten af en compenseert hoogteverschillen tijdens het printen. Zie ook mesh bed leveling.
- ABS
- Slagvast en hittebestendig filament dat een gesloten printer vraagt omdat het krimpt tijdens het afkoelen. Na te bewerken met acetondamp.
- Acetondampen
- Nabewerking waarbij damp van aceton het oppervlak van een ABS-print licht oplost. Het resultaat is glad en glanzend. Brandbaar, dus werk buiten of onder afzuiging.
- Adaptieve laaghoogte
- Slicerfunctie die de laaghoogte automatisch varieert: dun waar detail zit, dik waar het recht omhoog gaat. Sneller printen zonder zichtbaar verlies.
- AMS
- Het wisselsysteem van Bambu Lab dat tot vier rollen automatisch voedt, voor meerkleurige prints of doorprinten als een rol leeg raakt.
- Anisotropie
- Een print is niet in elke richting even sterk: tussen de lagen breekt hij eerder dan langs de lagen. Ontwerp zo dat de kracht langs de lagen loopt.
- Annealen
- Een print na het printen verwarmen, bijvoorbeeld een uur op 60 tot 80 graden, zodat interne spanning verdwijnt en het onderdeel stijver en hittebestendiger wordt. Reken op lichte krimp.
- Arachne
- Wandgenerator in moderne slicers die de wanddikte variabel maakt, zodat dunne stukken netjes gevuld worden in plaats of overgeslagen.
- ASA
- De buitenversie van ABS: even sterk, maar UV-bestendig zodat het niet vergeelt of verbrost in de zon. Print net als ABS in een gesloten kast.
B
- Babystepping
- De nozzlehoogte live bijstellen tijdens de eerste laag, in stapjes van honderdsten van millimeters. De snelste manier om een eerste laag te redden.
- Bambu Studio
- De slicer van Bambu Lab, gebouwd op PrusaSlicer. Regelt naast het slicen ook de AMS en de kalibraties van de printer.
- Backlash
- Speling in de aandrijving waardoor een as bij het omkeren van richting een fractie te laat reageert. Zichtbaar als maatafwijking of golfjes.
- Bedhechting
- Hoe goed de eerste laag aan het printbed plakt. De basis van elke geslaagde print: een schoon bed, de juiste hoogte en de juiste bedtemperatuur.
- Bedslinger
- Printertype waarbij het bed naar voren en achteren beweegt, zoals de Ender 3 en de Bambu Lab A1. Simpel en goedkoop, maar hoge smalle prints wiebelen eerder.
- Benchy
- Het bekende testbootje. Print bruggen, overhangen, kleine details en rondingen in één model, zodat je in een uur ziet wat je printer kan.
- Blob
- Klodder gesmolten filament op de print, meestal doordat de nozzle ergens te lang bleef hangen of drukte opbouwde. Zie ook zits.
- BLTouch
- Populaire sensor voor auto bed leveling die met een uitklapbaar pinnetje het bed aftast. Veelgebruikte upgrade op Enders.
- Bouwvolume
- De maximale afmetingen die een printer kan printen, breedte bij diepte bij hoogte. Een Ender 3 doet 220 bij 220 bij 250 mm.
- Bowden
- Aandrijving waarbij de motor het filament door een buisje naar de printkop duwt. Lichtere kop, maar trager reageren op retractie dan direct drive.
- Bridging
- In de lucht printen tussen twee steunpunten, zonder ondersteuning eronder. Lukt beter met volle koeling en een iets lagere temperatuur.
- Brim
- Eén laag dun materiaal rondom de voet van de print, vastgeplakt aan het onderdeel. Vergroot het hechtoppervlak tegen kromtrekken en peuter je na afloop los.
- Buildplate
- Het oppervlak waarop geprint wordt: glas, PEI of een veerstalen plaat. Zie printbed.
C
- CAD
- Software waarin je modellen ontwerpt, zoals Fusion of FreeCAD. Het ontwerp gaat als STL of STEP naar de slicer.
- Carbon fiber
- Filament met korte koolstofvezels erin, meestal op PETG- of nylonbasis. Stijver en maatvaster, mat oppervlak, en het vraagt een geharde nozzle.
- Chamfer
- Afgeschuinde rand aan de onderkant van een print. Voorkomt elephant foot aan de bedzijde en maakt randen minder scherp.
- CHT-nozzle
- Nozzle met gesplitste doorvoer die het filament sneller smelt, voor hogere printsnelheden zonder onderextrusie.
- Creality Print
- De eigen slicer van Creality voor de K1-serie en nieuwere Enders, met cloudkoppeling naar de printer.
- Coasting
- Slicerfunctie die de extrusie net voor het einde van een lijn stopt en de restdruk het laatste stukje laat doen. Vermindert blobs op de naad.
- Cold pull
- Schoonmaaktruc: filament half laten afkoelen en dan uit de hotend trekken, zodat vuil en resten meekomen. Ook wel atomic pull.
- Combing
- De printkop reist binnen de al geprinte delen in plaats van er dwars overheen, zodat reisstrepen binnen het oppervlak blijven.
- CoreXY
- Printertype waarbij twee motoren samen de kop in x en y bewegen en het bed alleen zakt. Stijf en snel, zoals de X1 Carbon en de K1.
- Cura
- De bekendste gratis slicer, van UltiMaker. Profielen voor vrijwel elke printer.
- Curling
- Hoeken of overhangen die tijdens het printen omhoog krullen, door krimp of te weinig koeling. De nozzle kan erachter blijven haken.
D
- Delaminatie
- Lagen die van elkaar loslaten, meestal door te koud printen, tocht of vochtig filament. De print splijt langs een laaglijn.
- Delta
- Printertype met drie armen boven een rond bed. Snel en hypnotiserend om naar te kijken, maar zeldzamer dan bedslingers en CoreXY.
- Diameter
- De dikte van het filament zelf, vrijwel altijd 1,75 mm. Niet te verwarren met de nozzlediameter.
- Diametertolerantie
- Hoeveel de filamentdikte mag afwijken, bij ons maximaal 0,02 mm. Grotere schommelingen geven wisselende extrusie en zichtbare banden.
- Dichtheid
- Gewicht per volume van het materiaal. PLA weegt ongeveer 1,24 gram per kubieke centimeter, PETG 1,27. Bepaalt samen met het volume wat een print weegt.
- Direct drive
- Aandrijving waarbij de motor direct op de printkop zit. Korte weg naar de nozzle, dus strakke retractie en beter met flexibele filamenten.
- Droogbox
- Afgesloten bak met droogmiddel waar rollen in liggen, soms met doorvoer zodat je er direct uit print. Zie ook silica gel en hygroscopisch.
- Drogen
- Vochtig filament een paar uur verwarmen, PLA rond 45 graden, PETG rond 65, zodat het opgenomen vocht eruit gaat. In een filamentdroger of een oven die echt zo laag kan.
- Dual extrusion
- Printen met twee materialen of kleuren via twee nozzles, bijvoorbeeld een model met oplosbaar steunmateriaal.
E
- E-steps
- Hoeveel stappen de extrudermotor zet per millimeter filament. Staat dit verkeerd, dan klopt de hele doorvoer niet. Eenmalig kalibreren.
- Eerste laag
- De belangrijkste laag van de print: te hoog en niets plakt, te laag en de nozzle ploegt. Langzaam printen en goed kijken loont hier het meest.
- Elephant foot
- Uitgezakte onderste lagen waardoor de voet breder is dan de rest. Komt door een te warme of te dichtgedrukte eerste laag. Slicers kunnen het compenseren.
- ESD-veilig
- Materiaal dat statische lading afvoert, nodig rond gevoelige elektronica. Gewoon PLA of PETG is het niet, er bestaan speciale gevulde varianten.
- Extruder
- Het mechaniek dat het filament pakt en doorvoert richting hotend. Bij direct drive zit hij op de kop, bij bowden op het frame.
- Extrusiebreedte
- Hoe breed één geprinte lijn is, meestal iets breder dan de nozzlediameter. Bepaalt samen met de laaghoogte hoe stevig lijnen aan elkaar hechten.
- Extrusiemultiplier
- Vermenigvuldigingsfactor op de doorvoer, ook wel flow. Op 0,95 komt er vijf procent minder materiaal uit. Fijnafstelling tegen over- of onderextrusie.
F
- FDM
- Fused deposition modeling: printen door gesmolten kunststof laag voor laag neer te leggen. De techniek van vrijwel alle thuisprinters.
- FFF
- Fused filament fabrication, dezelfde techniek als FDM onder een merkvrije naam.
- Filament
- De kunststof draad op een rol waar een FDM-printer mee werkt. Bij ons altijd 1,75 mm met een kilo netto op de spoel.
- Filamentsensor
- Sensor die merkt dat het filament op of gebroken is en de print pauzeert, zodat je een nieuwe rol kunt aanhangen zonder de print te verliezen.
- Firmware
- De software op de printer zelf die motoren, temperatuur en veiligheid regelt. Bekende namen: Marlin en Klipper.
- Fillet
- Afgeronde overgang tussen twee vlakken. Rondingen verdelen spanning beter dan scherpe hoeken, dus een fillet maakt een onderdeel sterker.
- Flexibele plaat
- Veerstalen printbed dat je van de magneet tilt en buigt, waarna de print vanzelf loskomt. Geen spatel meer nodig.
- Flow
- De hoeveelheid materiaal die de nozzle verlaat ten opzichte van wat de slicer vraagt. Zie extrusiemultiplier.
- Fuzzy skin
- Slicerfunctie die de buitenwand bewust ruw maakt met kleine trillingen. Verbergt laaglijnen en geeft grip, mooi op handvatten.
- Feedrate
- De snelheid waarmee de printer beweegt, in millimeters per seconde. Via het printermenu vaak live bij te stellen met een percentage.
G
- G-code
- De opdrachtentaal die de slicer maakt en de printer uitvoert: beweeg hierheen, verwarm tot zoveel graden, extrudeer zoveel millimeter.
- Gantry
- Het bewegende frame dat de printkop draagt. Een scheve gantry geeft scheve prints, op veel printers is hij uit te lijnen.
- Geharde nozzle
- Nozzle van gehard staal die tegen schurende vulling kan. Verplicht voor carbon fiber en glow in the dark, want die vreten messing kaal.
- Ghosting
- Zich herhalende schaduwranden naast scherpe details, veroorzaakt door trillingen. Ook wel ringing. Input shaping of langzamer printen lost het op.
- Glasbed
- Printbed van glas: spiegelglad en vlak, maar prints laten pas los als het bed is afgekoeld. Schoonmaken met isopropylalcohol.
- Glasovergangstemperatuur
- De temperatuur waarbij het materiaal zacht begint te worden, bij PLA rond de 60 graden. Bepaalt of een print een hete auto overleeft.
- Glow in the dark
- Filament met fosforescerend pigment dat licht opslaat en in het donker teruggeeft. Het pigment is schurend, print met een geharde nozzle.
- Gyroid
- Golvend infillpatroon dat in alle richtingen ongeveer even sterk is, snel print en er nog mooi uitziet ook. Onze standaardkeuze.
- Gradiëntfilament
- Rol die geleidelijk van kleur wisselt, zodat de print een verloop krijgt. Elk deel van de rol geeft een ander stuk van het verloop.
H
- HDT
- Heat deflection temperature: de temperatuur waarbij een onderdeel onder belasting doorbuigt. Praktischer dan de smelttemperatuur om hittebestendigheid te vergelijken.
- Heat creep
- Warmte die te ver omhoog kruipt in de hotend, waardoor filament al zacht wordt voor de smeltzone en vastloopt. Vaak een koelprobleem.
- Heat-set insert
- Messing schroefdraadbusje dat je met een soldeerbout in een gat smelt. Geeft een print echte, herbruikbare schroefdraad.
- Hechtspray
- Spuitbus die een dun plaklaagje op het bed legt, zoals 3DLAC. Redt de hechting op lastige oppervlakken en spoelt met water weer af.
- Heatbreak
- Het dunne halsje tussen het hete en koude deel van de hotend, dat de warmte tegenhoudt. Cruciaal onderdeel tegen heat creep.
- Heatsink
- Het koellichaam bovenop de hotend dat samen met de ventilator het koude deel koud houdt.
- Honeycomb
- Zeskantig infillpatroon, sterk maar traag om te printen. Gyroid geeft tegenwoordig meestal de betere afweging.
- Hotend
- Het hele smeltgedeelte van de printkop: heatsink, heatbreak, verwarmingsblok en nozzle samen.
- Hygroscopisch
- Vochtaantrekkend. Vrijwel elk filament is het: een open rol zuigt vocht uit de lucht en gaat dan knetteren en slechter hechten. Zie drogen.
I
- Infill
- De vulling binnen de wanden van een print, uitgedrukt in procenten. Vijftien tot twintig procent is voor de meeste prints ruim genoeg.
- Infillpatroon
- De vorm waarin de vulling wordt gelegd: gyroid, raster, driehoeken, honingraat. Elk patroon ruilt printtijd tegen sterkte in een andere richting.
- Input shaping
- Firmwaretechniek die de eigen trillingen van de printer wegfiltert, zodat hij hard kan versnellen zonder ghosting. Standaard op Bambu Lab en de K1.
- Interfacelaag
- De dichte bovenlaag van steunmateriaal waar de print op rust. Dichter betekent een mooiere onderkant, maar lastiger verwijderen.
- IPA
- Isopropylalcohol, het schoonmaakmiddel voor printbedden. Haalt vet en vingerafdrukken weg die de hechting slopen.
- Ironing
- De nozzle strijkt na de bovenste laag nog een keer bijna leeg over het oppervlak, dat daardoor glad wordt. Kost tijd, mooi voor deksels en logo's.
J
- Jerk
- Instelling voor hoe abrupt de printer van richting mag veranderen. Te hoog geeft trillingen, te laag maakt bochten traag.
- Jig
- Hulpstuk dat een werkstuk vasthoudt of een bewerking geleidt, bijvoorbeeld een boormal. Een van de nuttigste dingen om te printen.
K
- Kalibratiekubus
- Testkubus van meestal 20 mm om maatvoering te controleren: meet de zijden en je weet of je printer klopt.
- Klipper
- Firmware die het rekenwerk naar een aparte computer verplaatst, waardoor hogere snelheden en functies als input shaping mogelijk zijn.
- Koeling
- De ventilator die de zojuist geprinte laag hard afkoelt. PLA wil veel koeling, ABS juist geen, PETG zit ertussenin.
- Krimp
- Materiaal trekt samen bij het afkoelen. Hoe meer krimp, hoe eerder een print kromtrekt: PLA krimpt nauwelijks, ABS en ASA fors.
- Kruimellaag
- Informele naam voor een mislukte, brokkelige eerste laag. Vrijwel altijd een kwestie van bedhoogte of een vet bed.
L
- Laaghoogte
- De dikte van elke geprinte laag, meestal 0,1 tot 0,3 mm. Dunner is fijner en trager, dikker is grover en sneller.
- Laagtijd
- Minimale tijd per laag. Bij hele kleine laagjes wacht de printer even, anders staat de nozzle op nog zacht materiaal te bouwen.
- Laagverschuiving
- De print verspringt halverwege opzij doordat een riem slipte of de kop ergens tegenaan stootte. Ook wel layer shift.
- Laaglijnen
- De zichtbare horizontale lijnen op elke FDM-print. Kleiner te maken met dunnere lagen, te verbergen met fuzzy skin of nabewerking.
- Lijmstift
- Gewone papierlijm als scheidingslaag op het bed. Bij PETG geen hechtmiddel maar bescherming: het voorkomt dat de print de PEI-coating meeneemt.
- Lineaire rails
- Geleiders met kogelwagens in plaats van wieltjes. Strakker en duurzamer, standaard op snellere printers.
- Linear advance
- Firmwarefunctie die de druk in de nozzle voorspelt en compenseert, voor strakkere hoeken en naden. Bij Klipper heet dit pressure advance.
- Lithofaan
- Foto geprint als reliëf in dun wit materiaal: houd hem tegen het licht en de afbeelding verschijnt door de dikteverschillen.
M
- M600
- Het G-code-commando voor een filamentwissel halverwege de print. De printer parkeert, jij wisselt de rol, en hij print verder. De basis van meerkleurenprints zonder AMS.
- Magneetbed
- Magnetische onderlaag op het bed waar de veerstalen plaat op klikt. Plaat eraf, buigen, print los.
- Marlin
- De meest verspreide open source printerfirmware, de basis van talloze fabrieksfirmwares waaronder die van Creality.
- Masterspool
- Herbruikbare spoel waar je een navulling zonder eigen spoel omheen klikt. Scheelt plastic afval.
- Maximale volumetrische snelheid
- Hoeveel kubieke millimeter per seconde een hotend echt kan smelten. De harde grens van elke snelheidsbelofte.
- Mesh
- Het driehoekjesnet waaruit een 3D-model bestaat. Een kapotte mesh met gaten geeft slicefouten, zie non-manifold.
- Mesh bed leveling
- Het bed wordt op een raster van punten gemeten en de printer volgt die hoogtekaart tijdens de eerste lagen.
- Meter per kilo
- Hoeveel meter draad er op een kilo zit: PLA ongeveer 335 meter, PETG iets minder. Handig voor het narekenen van restjes met onze rekenhulp.
- Microstepping
- De motoraansturing verdeelt elke stap in kleinere tussenstapjes voor stillere en vloeiendere beweging.
- Modifier
- Hulpvorm in de slicer die instellingen alleen binnen dat volume aanpast, bijvoorbeeld extra wanden precies rond een schroefgat.
- Monotonic
- Vulpatroon voor boven- en onderlagen waarbij alle lijnen dezelfde richting op lopen, voor een egaal glanzend oppervlak.
- Multimateriaal
- Printen met meerdere materialen in één print, via meerdere nozzles of een wisselsysteem als de AMS.
N
- Nabewerking
- Alles na het printen: supports verwijderen, schuren, gaten optappen, lijmen, schilderen of acetondampen.
- Netto gewicht
- Het gewicht van alleen het filament, zonder de spoel. Onze rollen hebben een kilo netto, de lege spoel weegt daar los van.
- Non-manifold
- Een model dat geen waterdicht gesloten oppervlak vormt, met gaten of dubbele vlakken. Slicers struikelen erover, reparatietools lossen het meestal op.
- Nozzle
- Het spuitmondje waar het gesmolten filament uit komt, standaard 0,4 mm. Groter print sneller en grover, kleiner fijner en trager.
- Nozzleslijtage
- Het gaatje van de nozzle wordt langzaam groter door schurend filament. Merk je aan vager detail en slechtere maatvoering. Gevulde filamenten verslijten messing binnen een paar rollen.
- Nylon
- Taai en slijtvast technisch filament, ook bekend als PA. Extreem hygroscopisch: zonder droogbox is het binnen een dag te nat om mooi te printen.
O
- OctoPrint
- Webinterface op een Raspberry Pi om printers op afstand te bedienen en te volgen, met camera en tijdlapse.
- Omkasting
- Gesloten kast om de printer die de warmte vasthoudt en tocht buiten houdt. Voorwaarde voor groot ABS- en ASA-werk.
- Onderextrusie
- Er komt te weinig materiaal uit: dunne lijntjes, gaatjes, zwakke lagen. Oorzaken van vochtig filament tot een halfverstopte nozzle.
- Oozing
- Filament dat tijdens reisbewegingen uit de nozzle lekt en draadjes of pukkels achterlaat. Retractie en temperatuur zijn de knoppen.
- OrcaSlicer
- Open source slicer met uitgebreide kalibratietests ingebouwd, populair bij wie meer wil finetunen dan de fabrieksslicer toelaat.
- Overextrusie
- Er komt te veel materiaal uit: ribbels, dichtgesmeerde gaten en maten die te groot uitvallen. Flow iets omlaag.
- Overhang
- Deel van de print dat schuin over de lucht hangt. Tot zo'n 45 graden gaat het zonder steun, daarboven wordt het rafelig.
P
- Pauze op hoogte
- De print op een gekozen laag laten pauzeren, bijvoorbeeld om een moer of magneet in te leggen of van kleur te wisselen.
- PC
- Polycarbonaat: heel sterk en hittebestendig filament, maar veeleisend. Hoge temperaturen, gesloten kast en droog filament zijn verplicht.
- PEI
- Kunststofcoating op printbedden waar vrijwel alles goed op plakt en na afkoelen vanzelf loslaat. Ruw of glad verkrijgbaar.
- Perimeter
- Eén rondje buitenwand van de print. Meer perimeters maken een print sterker dan meer infill, tegen dezelfde printtijd vaak de betere keuze.
- PETG
- Sterker en taaier dan PLA, licht flexibel en beter tegen warmte en vocht. Print iets warmer en wil minder koeling. De keuze voor onderdelen die iets moeten kunnen hebben.
- PID-tuning
- Kalibratie van de temperatuurregeling zodat hotend en bed strak op temperatuur blijven in plaats van te golven.
- Pigment
- De kleurstof in het filament. Pigment verandert het printgedrag licht: dezelfde PLA print per kleur nét anders, vandaar temperatuurtorens per kleur.
- Pillowing
- Bobbelige of open plekken in de bovenste laag doordat die op te dun infill ligt. Meer toplagen of meer koeling lost het op.
- PLA
- Het makkelijkste en meest gebruikte filament: lage temperatuur, nauwelijks krimp, geen kast nodig. Voor de meeste prints de verstandigste keuze.
- PLA+
- PLA met toevoegingen voor meer taaiheid en een net iets vergevingsgezinder printgedrag. Bij ons de basis van de voordeelpakketten.
- Polymeer
- Kunststof opgebouwd uit lange moleculketens. Alle filamenten zijn polymeren, de keten bepaalt de eigenschappen.
- Pressure advance
- Klipperterm voor het voorspellen en compenseren van nozzledruk, zodat hoeken en naden strak blijven op hoge snelheid. Zie linear advance.
- Prime line
- De streep die veel printers eerst langs de rand printen om de nozzle op druk en schoon te krijgen.
- Prime tower
- Offerblokje naast de print waar bij materiaalwissels eerst op wordt geprint, zodat kleurresten niet in het model komen.
- Print-in-place
- Model dat met bewegende delen in elkaar geprint wordt en direct van het bed werkt, zoals scharnieren en kettingen. Vraagt goede tolerantieafstelling.
- Printprofiel
- Opgeslagen set slicerinstellingen voor een combinatie van printer en filament. Onze eigen profielen staan als download op de printerpagina's.
- Printbed
- Het verwarmde oppervlak waarop geprint wordt. De temperatuur bepaalt mede de hechting: 55 graden voor PLA, richting 80 voor PETG, 100 en meer voor ABS.
- Printmal
- Geprinte mal waarin een vorm gegoten, gebogen of gelijmd wordt. Veelgebruikt in kleine productie, een van de dingen die hier dagelijks van de printers komen.
- PrusaSlicer
- Slicer van Prusa Research, ook los van hun printers populair. De basis waar OrcaSlicer op voortbouwt.
- Purgen
- Filament doorspoelen tot de oude kleur of het oude materiaal volledig uit de nozzle is.
- PVA
- Wateroplosbaar steunmateriaal voor printers met twee nozzles: print de steun in PVA en los hem op in een emmer water.
Q
- Quick-swap nozzle
- Nozzle die zonder gereedschap te wisselen is, zoals op de Bambu Lab A1. Maakt het wisselen tussen maten of naar gehard staal een klusje van een minuut.
R
- Raft
- Geprint vlot van een paar lagen waar de print bovenop staat. Redmiddel bij een slecht bed, tegenwoordig zelden nodig op een goed afgestelde printer.
- Refill
- Navulling filament zonder spoel, bedoeld voor een herbruikbare spoel. Zie masterspool.
- RepRap
- Het open source project waar de hele consumentenprinterwereld uit voortkomt, met als idee een printer die zichzelf kan printen.
- Resolutie
- Het kleinste detail dat een printer kan maken, verticaal bepaald door de laaghoogte en horizontaal door de nozzle.
- Resonantie
- Eigenfrequentie van de printer die bij bepaalde snelheden gaat meetrillen en patronen op de wand zet. Zie ghosting en input shaping.
- Retractie
- Het filament een stukje terugtrekken voor een reisbeweging, zodat er niets nalekt. De belangrijkste knop tegen stringing.
- Riemspanning
- Hoe strak de aandrijfriemen staan. Te los geeft speling en ghosting, te strak slijt lagers. Veel printers hebben er stelknoppen voor.
S
- Schuren
- Nabewerking met oplopende korrels, nat schuren vanaf korrel 240 werkt het prettigst. PLA wordt warm van snel schuren en smeert dan uit, dus rustig aan.
- Seam
- De naad waar elke laag begint en eindigt, zichtbaar als een dun lijntje langs de print. In de slicer weg te leggen naar een hoek of de achterkant.
- Sequentieel printen
- Meerdere objecten een voor een helemaal afprinten in plaats van laag voor laag samen. Mislukt er een, dan zijn de rest al klaar.
- Shore-hardheid
- Hardheidsschaal voor flexibele materialen. TPU van 95A is stug flexibel, lagere getallen zijn rubberachtiger.
- Silica gel
- Droogmiddel in korrels dat vocht opneemt. Een zakje bij elke opgeslagen rol houdt het filament printklaar. In de oven te regenereren.
- Silk
- PLA met een glansadditief waardoor prints op gepolijst metaal lijken. Print als PLA, het mooist op grote vlakken en lage snelheid.
- Skirt
- Losse lijn rond de print die de nozzle op druk brengt en meteen laat zien of het bed vlak staat. Raakt de print zelf niet.
- Slicer
- Het programma dat een 3D-model in lagen snijdt en omzet naar G-code: Bambu Studio, Cura, PrusaSlicer of OrcaSlicer.
- Smelttemperatuur
- De temperatuur waarop het filament vloeibaar genoeg is om te printen. Staat als bereik op elke productpagina.
- Snapfit
- Klikverbinding die je print in plaats van schroeft: een lipje dat veert en vastklikt. Ontwerp de lip langs de laagrichting, anders breekt hij.
- Spaghetti
- De sliertenberg die ontstaat als een print loslaat en de printer vrolijk in de lucht doorprint. Camerabewaking kan het detecteren.
- Spoel
- De haspel waar het filament op zit. Het gewicht ervan telt niet mee in ons netto kilogewicht, en leeg is hij herbruikbaar.
- Spoelhouder
- De arm of rol waar de spoel op draait. Een soepel draaiende houder voorkomt spanning op de aanvoer.
- STEP
- CAD-uitwisselingsformaat dat de echte geometrie bewaart in plaats van driehoekjes. Fijner om te bewerken dan STL, steeds meer slicers lezen het direct.
- Steunblokkering
- Hulpvorm in de slicer die op die plek juist géén steunmateriaal laat genereren, bijvoorbeeld in een gat waar je toch niet bij kunt.
- Steunmateriaal
- Tijdelijke structuur onder overhangen, na het printen te verwijderen. Zie supports, tree supports en PVA.
- STL
- Het klassieke bestandsformaat voor printmodellen: alleen het oppervlak als driehoekjes, zonder kleur of maat-eenheid.
- Stringing
- Dunne draadjes tussen delen van de print, achtergelaten tijdens reisbewegingen. Bestrijden met retractie, temperatuur iets omlaag en droog filament.
- Stepper
- De motoren die alles bewegen: per stap een vaste hoek, zonder terugkoppeling. Vandaar dat een botsing een laagverschuiving geeft in plaats van een foutmelding.
- Supports
- Automatisch gegenereerd steunmateriaal onder overhangen. Instelbaar in dichtheid en afstand: makkelijker verwijderen betekent een iets ruwere onderkant.
T
- Tandwielextruder
- Extruder met dubbele aangedreven tandwielen die het filament van twee kanten pakken. Meer grip, dus minder slippen bij snelle of flexibele filamenten.
- Tappen
- Met een draadtap echte schroefdraad snijden in een voorgeprint gat. Voor vaker losdraaien is een heat-set insert de duurzamere keuze.
- Temperatuurtoren
- Testprint waarin elke verdieping op een andere temperatuur print. In een half uur zie je welke temperatuur jouw rol op jouw printer het mooist vindt.
- Thermistor
- De temperatuursensor in hotend en bed. Een losse of kapotte thermistor geeft wilde temperatuurmeldingen en is een bekend slijtageonderdeel.
- Timelapse
- Versneld filmpje van de print, per laag één beeldje. Veel printers en OctoPrint maken hem automatisch.
- Tolerantie
- De bewuste speling tussen passende onderdelen. Voor FDM is 0,2 tot 0,3 mm speling een goed startpunt voor delen die in elkaar moeten.
- Toplaag
- De dichte bovenlagen die het infill afdekken. Vier tot zes stuks geeft een dicht en strak bovenoppervlak.
- TPU
- Flexibel filament, rubberachtig en vrijwel onverwoestbaar. Print langzaam en het liefst op direct drive.
- Travel
- Beweging van de kop zonder te printen. Snelle travels besparen tijd, maar zonder goede retractie slepen ze draadjes mee.
- Tree supports
- Steunmateriaal als boomtakken dat om het model heen groeit. Minder materiaal, makkelijker verwijderen en vaak een mooiere onderkant dan klassieke steun.
U
- Ultrafijnstof
- Onzichtbaar kleine deeltjes die vrijkomen bij het printen, het meest bij ABS en ASA. De reden dat een printer niet in de slaapkamer hoort en ventilatie geen luxe is.
- UV-bestendigheid
- Hoe goed materiaal zonlicht verdraagt. PLA en PETG verkleuren en verzwakken buiten, ASA is er juist voor gemaakt.
- Uitlijnen
- Zorgen dat assen haaks en riemen recht staan. Een kwartier uitlijnen verklaart vaak maanden aan vage printproblemen.
V
- Vase mode
- De print als één doorlopende spiraal van één wand dik, zonder naad en razendsnel. Voor vazen en lampenkappen, per definitie niet waterdicht sterk.
- Verven en primer
- PLA en PETG laten zich prima verven na licht schuren en een hechtprimer. Vulprimer verbergt meteen de laaglijnen.
- Veerstalen plaat
- Buigzaam printbed op magneten: plaat eraf tillen, buigen, en de print springt los. Zie flexibele plaat.
- Ventilatie
- Frisse lucht in de printruimte. Bij ABS en ASA geen luxe: die geven dampen en ultrafijnstof af die je niet de hele dag wilt inademen.
- Verstopping
- De nozzle zit dicht: er komt niets of te weinig uit. Oplossen met een naaldje, een cold pull, of in het ergste geval een nieuwe nozzle.
- VFA
- Vertical fine artifacts: fijne verticale streepjes op wanden, meestal afkomstig van de aandrijving. Vooral zichtbaar op glanzende vlakken.
- Vlamvertragend
- Materiaaleigenschap waarbij het materiaal zichzelf dooft. Gewone filamenten zijn het niet, er bestaan speciale varianten met certificering.
- Voedselveilig
- Een print is het in de praktijk niet, ook met voedselveilig materiaal: in de laaglijnen blijven bacteriën achter. Eenmalig gebruik kan, vaatwasser en hergebruik niet.
- Volumetrische snelheid
- Doorvoer in kubieke millimeter per seconde: laaghoogte maal lijnbreedte maal snelheid. Zie maximale volumetrische snelheid.
W
- Wand
- De buitenschil van de print, opgebouwd uit perimeters. Twee tot drie wanden is standaard, meer wanden maken sterker dan meer infill.
- Wanddikte
- Totale dikte van de buitenschil: aantal wanden maal lijnbreedte. Ontwerp wanden als veelvoud van de lijnbreedte, dan hoeft de slicer geen gaten te vullen.
- Warping
- Kromtrekken: de hoeken komen los van het bed doordat het materiaal krimpt bij het afkoelen. Bestrijden met bedtemperatuur, brim, en bij ABS een kast.
- Waterdicht printen
- Kan, met genoeg wanden, wat overextrusie en het juiste materiaal. PETG is de gangbare keuze, en testen blijft verstandig.
- Wipe
- De nozzle veegt aan het eind van een lijn even over het geprinte deel om de naad schoon af te sluiten.
X
- XYZ-assen
- Het assenstelsel van de printer: x opzij, y naar voren en achteren, z omhoog. Bij een bedslinger beweegt het bed de y, bij CoreXY alleen de z.
Z
- Z-banding
- Regelmatige horizontale banden over de hele print, vaak door een kromme z-spindel of wisselende extrusie. Ook wel z-wobble.
- Zits
- Kleine pukkeltjes op de wand waar de nozzle even drukte loste, vaak op de naad. Kleiner familielid van de blob, te temmen met coasting en wipe.
- Z-hop
- De nozzle tilt bij reisbewegingen een fractie op, zodat hij niet over de print schraapt. Kost iets aan stringing.
- Z-naad
- De verticale lijn waar alle laagovergangen boven elkaar liggen. Zie seam.
- Z-offset
- De afstand tussen nozzle en bed op hoogte nul. Dé instelling achter een goede of slechte eerste laag, zie ook babystepping.
Termen opgezocht en klaar om te printen? Alle materialen uit deze lijst die wij verkopen vind je in de webshop, en welke bij jouw print past vertelt de keuzehulp. Samengesteld door Thijs Worm.